Cover

Titelpagina

Facetten van het Boeddhisme

46

 

 

 

 

 

 

Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden

 

 

 

 

 

samengesteld door

Nico Moonen

2018

 

 

Ten geleide

Ten geleide

 

De leer van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppâda) wordt de edele weg genoemd. Door het overdenken en inzien van oorzakelijk ontstaan kan men een of meer van de niveaus van heiligheid bereiken.

 

Diverse keren dacht de Boeddha Gotama na over oorzakelijk ontstaan. Ook de vroegere Boeddhas Vipassin, Sikkhin, Vessabhu, Kakusandha, Konagamana en Kassapa overdachten, volgens de legende, de keten van oorzakelijk ontstaan. De Boeddha Gotama sprak er ook over met de eerwaarde Ananda. En de eerwaarden Sariputta en Ananda spraken erover met hun medemonniken. Een compilatie van die leerreden volgt hier.

 

1. Korte overdenking van oorzakelijk ontstaan

1. Korte overdenking van oorzakelijk ontstaan 

 

“Diep is deze wet van oorzakelijk ontstaan. Ten gevolge van het niet begrijpen ervan is dit geslacht in de war geraakt zoals een verwaarloosd stuk weefsel of een knot garen vol knopen. Daarom komt dit geslacht niet uit boven de kringloop der wedergeboorten.” (D.15.1; S.12.60)

“Deze wereld is tot een toestand van lijden vervallen. Men wordt geboren, men wordt ouder, men sterft, en men wordt wedergeboren. Een uitweg uit het lijden, een ontkomen aan dit lijden, ouder worden en sterven kent men niet. Wanneer zal er een ontkomen aan dit lijden, ouder worden en sterven gevonden worden?“ (D.14.2.18; S.12.4 t/m S.12.10; S.12.65)

 

“Bij de aanwezigheid waarvan is ook ouderdom en sterven aanwezig? In afhankelijkheid waarvan is ouderdom en sterven aanwezig?”

 

Ouderdom en sterven zijn afhankelijk van geboorte. Geboorte is afhankelijk van worden. Worden is afhankelijk van inbezitname, grijpen, hechten. Inbezitname, grijpen, hechten is afhankelijk van begeerte, levensdorst. Dorst, begeerte is afhankelijk van gevoel. Gevoel is afhankelijk van aanraking, contact. Contact, aanraking is afhankelijk van de zes zintuigen. De zes zintuigen zijn aanwezig als geestlichamelijkheid (naam en vorm) aanwezig is. Geestlichamelijkheid is afhankelijk van bewustzijn. Bewustzijn dat tot wedergeboorte voert, ontstaat afhankelijk van wilsformaties. Bewustzijn is afhankelijk van geestlichamelijkheid. De formaties, vormingen hebben onwetendheid als oorzaak.

Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand. Zo is het ontstaan ervan. (S.12.1-22; S.12.27; S.12.33; S.12.37; S.12.46-48; S.12.50; S.12.52-60; S.12.65; M.9; M.38; M.141).

 

2. De overdenking in omgekeerde volgorde

2. De overdenking in omgekeerde volgorde

 

Bij afwezigheid waarvan is er geen ouderdom en sterven; door het beëindigen waarvan houdt ouderdom en sterven op?

Als dit niet is, volgt dat niet; met het verdwijnen van het ene verdwijnt het andere en wel aldus:

 

Met het geheel en al verdwijnen van onwetendheid verdwijnen wilsformaties (vormingen). Met het verdwijnen van wilsformaties verdwijnt bewustzijn. Met het verdwijnen van bewustzijn verdwijnt geestlichamelijkheid. Met het verdwijnen van geestlichamelijkheid verdwijnt de zesvoudige basis (het bereik van de zes zintuigen). Met het verdwijnen van de zesvoudige basis verdwijnt contact. Met het verdwijnen van contact verdwijnt gevoel. Met het verdwijnen van gevoel verdwijnt begeerte, dorst. Met het verdwijnen van dorst, verlangen verdwijnt inbezitname, grijpen, hechten. Met het verdwijnen van hechten verdwijnt worden. Met het verdwijnen van worden verdwijnt geboorte. Met het verdwijnen van geboorte verdwijnen ouderdom en dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. (Ud.I.1-3; S.12.1-20; S.12.37; S.12.46-59; S.12.67; M.38)

 

3. Overdenking in directe en omgekeerde volgorde

3. Overdenking in directe en omgekeerde volgorde

 

Als dit is, volgt dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere. Als dit niet is, volgt dat niet; met het verdwijnen van het ene verdwijnt het andere.

 

* Bewustzijn wordt veroorzaakt door geestlichamelijkheid en geestlichamelijkheid door bewustzijn. Dit bewustzijn keert terug naar geestlichamelijkheid. Het gaat niet verder. In zoverre kan geboorte ontstaan, kan ouderdom, sterven, verdwijnen, wedergeboorte ontstaan; in zoverre bestaat de mogelijkheid tot naamgeving, de mogelijkheid voor uitleg; in zoverre bestaat het hele gebied van begrijpen, namelijk in dit samenzijn van geestlichamelijkheid en bewustzijn. In zoverre kan men geboren worden, ouder worden en sterven; in zoverre kan men verdwijnen en weer opduiken, in zoverre namelijk als het volgende ontstaat:

 

 

* In afhankelijkheid van onwetendheid ontstaan wilsformaties, vormingen.

Wat is onwetendheid, niet-weten? – Onwetend is degene die het lijden niet kent, die het ontstaan ervan niet kent, die de opheffing ervan niet kent, en die het pad naar de opheffing ervan niet kent. – Wetend daarentegen is degene die wel het lijden kent, het ontstaan ervan, de opheffing ervan, en het pad naar de opheffing ervan. (S.56.17-18; S.56.21-51; S.12.2; M.9).

 

 

* De formaties, vormingen*1] hebben onwetendheid als oorzaak, onwetendheid als oorsprong. Wanneer onwetendheid aanwezig is, ontstaan de formaties, vormingen. Afhankelijk van onwetendheid (avijja) ontstaan wilsformaties (samkhara). Uit het niet-weten ontstaan de formaties (vormingen). (S.12.51.)

 

En wat zijn de formaties, vormingen? – Er zijn drie soorten van formaties: formaties van het lichaam, de vorming van lichamelijke acties; formaties van de taal, de vorming van praten; formaties van het hart, de vorming van denken. (M.9) [Daden, woorden, gedachten].

 

 

* In afhankelijkheid van wilsformaties, vormingen ontstaat bewustzijn.

Afhankelijk van wilsformaties ontstaat bewustzijn (viññanam) dat tot wedergeboorte voert. Bewustzijn is afhankelijk van geestlichamelijkheid. Als geestlichamelijkheid aanwezig is, is bewustzijn aanwezig. In afhankelijkheid van geestlichamelijkheid is bewustzijn aanwezig. Uit de formaties, vormingen ontstaat bewustzijn. Als bewustzijn in geestlichamelijkheid geen basis gevonden had, zou er verder geen ontstaan en oorsprong van geboorte, ouderdom, sterven, lijden zijn. Daarom is geestlichamelijkheid de voorwaarde voor bewustzijn.

 

En wat is bewustzijn? – Bewustzijn wordt ingedeeld naar de oorzaken in afhankelijkheid waarvan het ontstaat. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm, dan geldt het als zien-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid, dan geldt het als hoor-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van neus en geur, dan geldt het als ruik-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaak, dan geldt het als smaak-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject, dan geldt het als aanrakings-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van geest en geestobject, dan geldt het als geest-bewustzijn. (M.38; M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geestlichamelijkheid, naam en vorm.

Geestlichamelijkheid is afhankelijk van bewustzijn. Als bewustzijn aanwezig is, is geestlichamelijkheid aanwezig. Afhankelijk van bewustzijn ontstaat geestlichamelijkheid (naam en vorm). Als bewustzijn afwezig is, is geest-lichamelijkheid afwezig. Als bewustzijn niet in de schoot van een moeder intrad, zou geest-lichamelijkheid niet kunnen ontstaan.

Als bewustzijn na in de moederschoot te zijn ingetreden, weer zou uittreden, zou geen geestlichamelijkheid hier in dit leven kunnen ontstaan.

Als bewustzijn nog in de jeugd bij een jongen of meisje zou worden afgesneden, dan zou geestlichamelijkheid niet kunnen toenemen, groeien, tot ontwikkeling komen.

Daarom is bewustzijn de voorwaarde voor geestlichamelijkheid.

 

En wat is geestlichamelijkheid, naam en vorm? – Gevoel, waarneming, bedoeling, voorstelling, denken, aanraking, oplettendheid, overweging: dat heet naam (geest). De vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de vorm die afhankelijk is van die grofstoffelijke elementen, dat heet vorm (lichaam). Samen noemt men dat naam en vorm. (M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van geestlichamelijkheid (naam en vorm) ontstaat het bereik van de zes zintuigen (de zesvoudige basis).

Als geestlichamelijkheid (naam en vorm) aanwezig is, zijn de zes zintuigen aanwezig. Afhankelijk van geestlichamelijkheid ontstaat de zesvoudige basis (salayatanam).*2] Uit naam en vorm ontstaat het bereik van de zintuigen.

Alle vormen, alle verschillen, alle eigenschappen, alle bijzonderheden waardoor het geestelijke deel gevormd wordt, als die allemaal niet daar waren, niet bestonden, dan zouden aan het lichamelijk deel geen geestelijke symptomen verschijnen.

Alle vormen, verschillen, eigenschappen, bijzonderheden waardoor het lichamelijke deel gevormd wordt, als die allemaal niet daar waren, dan zouden aan het geestelijke deel geen lichamelijke symptomen verschijnen.

Alle vormen, verschillen, eigenschappen, bijzonderheden waardoor zowel het geestelijke deel als het lichamelijke deel gevormd worden, als die niet daar waren, dan zouden geen geestelijke of lichamelijke symptomen verschijnen.

Alle vormen, verschillen, eigenschappen, bijzonderheden waardoor de geestlichamelijkheid gevormd wordt, als die niet daar waren, dan zou er geen zintuiglijke aanraking, geen zintuiglijk contact zijn. Daarom is geestlichamelijkheid met de zes zintuigen de voorwaarde voor aanraking, contact.

 

En wat is het bereik of gebied van de zes zintuigen? – Er zijn zes gebieden: het gebied van het oog, het gebied van het oor, het gebied van de neus, het gebied van de tong, het gebied van het lichaam, het gebied van de geest. (M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking, contact.

Contact, aanraking (phasso) is afhankelijk van de zes zintuigen. Als de zes zintuigen aanwezig zijn, is aanraking aanwezig. Afhankelijk van de zesvoudige basis ontstaat contact. De oorzaak van aanraking is het bereik van de zes zintuigen.

 

En wat is aanraking, contact? – Er zijn zes soorten van contact: contact met het oog, contact met het oor, contact met de neus, contact met de tong, contact met het lichaam, contact met de geest. (M.9) Kortom, contact van een object met een van de zinsorganen.

 

 

* In afhankelijkheid van aanraking ontstaat gewaarwording, gevoel.

Gevoel (vedana) is afhankelijk van aanraking, contact. Als aanraking, contact aanwezig is, is gevoel aanwezig. Als er geen contact was met de zes zintuigen (oog, oor, neus, tong, lichaam, geest), zou geen gevoel kunnen ontstaan. Daarom is contact, aanraking de oorzaak voor gevoel.

 

En wat is gevoel, gewaarwording, waarneming? – Het gevoel ontstaan door het zien, gewaarwording geboren uit contact met het oog, waarneming van vorm. Het gevoel ontstaan door het horen, gewaarwording geboren uit contact met het oor, waarneming van geluid. Het gevoel ontstaan door het ruiken, gewaarwording geboren uit contact met de neus, waarneming van geur. Het gevoel ontstaan door het proeven, gewaarwording geboren uit contact met de tong, waarneming van smaak. Het gevoel ontstaan door aanraking, gewaarwording geboren uit contact met het lichaam, waarneming van aanrakingen. Het gevoel ontstaan door denken, gewaarwording geboren uit contact met de geest, waarneming van ideeën en gedachten. Kortom het gevoel dat ontstaat door contact van een zintuiglijk orgaan met een object.*3]

 

Er zijn drie soorten van gevoel, namelijk aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, gevoel dat niet aangenaam en niet onaangenaam is. (S.45.29; M.59)

 

 

* In afhankelijkheid van gevoel, gewaarwording ontstaat levensdorst, begeerte.

Dorst, begeerte (tanha) is afhankelijk van gevoel. Als gevoel aanwezig is, is begeerte, dorst aanwezig. Als er geen gevoel was, nergens, geen gevoel ontstaan uit contact met zichtbare objecten, noch gevoel ontstaan uit contact met geluiden, noch gevoel ontstaan uit contact met geuren, noch gevoel ontstaan uit contact met smaken, noch gevoel ontstaan uit contact met aanrakingen, noch gevoel ontstaan uit contact met denken, als er helemaal geen gevoel was, zou er geen dorst kunnen ontstaan. Daarom is gevoel de oorzaak voor dorst.

 

In afhankelijkheid van gevoel ontstaat dorst, begeerte. In afhankelijkheid van dorst ontstaat zoeken (pariyesana). In afhankelijkheid van zoeken ontstaat inbezitname (labha). In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat trachten, beproeven, onderzoeken, besluitvorming (vinicchaya). In afhankelijkheid van trachten, onderzoeken, besluitvorming ontstaat wellustig verlangen (chanda-raga). In afhankelijkheid van wellustig verlangen ontstaat hechten (ajjhosana). In afhankelijkheid van hechten ontstaat gewoontevorming, toeëigening, egoïsme (pariggaha).

In afhankelijkheid van gewoontevorming ontstaat hebzucht (macchariya). In afhankelijkheid van hebzucht ontstaat waken over zijn bezittingen (arakkha). Ten gevolge van waken over zijn bezittingen komt het tot aanwending van geweld, oorlog, tweedracht, strijd en ruzie, tot lasteren en liegen, tot allerhande slechte dingen.

Als er helemaal geen waken over eigen bezittingen was, zou er geen aanwending van geweld kunnen komen, geen oorlog en tweedracht, geen strijd en ruzie, geen lasteren en liegen, geen slechte dingen. Daarom is waken over eigen bezittingen de oorzaak voor geweld en oorlog, ruzie, lasteren en liegen, voor allerlei slechte dingen.

Als er geen egoïsme, hebzucht was, helemaal nergens, zou er geen waken over eigen bezittingen kunnen ontstaan. Daarom is egoïsme, hebzucht de oorzaak voor waken over eigen bezittingen.

Als er helemaal geen gewoontevorming was, zou er geen hebzucht kunnen ontstaan. Daarom is gewoontevorming de oorzaak voor hebzucht.

Als er helemaal geen hechten was, zou er geen gewoontevorming kunnen ontstaan. Daarom is hechten de oorzaak voor gewoontevorming.

Als er helemaal geen wellustig verlangen was, zou er geen hechten kunnen ontstaan. Daarom is wellustig verlangen de oorzaak voor hechten.

Als er helemaal geen trachten, onderzoeken, besluitvorming was, zou er geen wellustig verlangen kunnen ontstaan. Daarom is besluitvorming de oorzaak voor wellustig verlangen.

Als er helemaal geen inbezitname was, zou er geen trachten, onderzoeken, besluitvorming kunnen volgen. Daarom is inbezitname de oorzaak voor besluitvorming.

Als er helemaal geen zoeken was, zou er geen inbezitname kunnen ontstaan. Daarom is zoeken de oorzaak voor inbezitname.

Als er helemaal geen (levens)dorst was, zou er geen zoeken kunnen ontstaan. Daarom is dorst de oorzaak voor zoeken.

 

En wat is dorst? – Er zijn zes soorten van dorst: dorst naar vormen, dorst naar geluiden, dorst naar geuren, dorst naar smaken, dorst naar aanrakingen, dorst naar gedachten. (M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van begeerte, levensdorst ontstaat inbezitname, grijpen, hechten.

Inbezitname, grijpen, hechten (upadanam) is afhankelijk van begeerte, levensdorst. Als dorst, begeerte aanwezig is, is inbezitname, hechten aanwezig. Als er geen dorst was, nergens, als er geen dorst was naar vormen, geen dorst naar klanken, geen dorst naar geuren, geen dorst naar smaken, geen dorst naar aanrakingen, geen dorst naar begrippen, ideeën, gedachten, als er helemaal geen dorst was, dan zou er geen hechten kunnen ontstaan. Daarom is dorst de oorzaak voor hechten.

 

En wat is inbezitname, hechten? – Er zijn vier soorten van inbezitname (hechten): de inbezitname van de zinnelijkheid (het hechten aan zinnelijkheid), de inbezitname van meningen (het hechten aan [verkeerde] meningen), de inbezitname van deugdzame werken (het hechten aan deugdzame werken, d.w.z. het hechten aan gebruiken en rituelen waarvan men hoopt dat zij voordeel brengen), de in bezit name van de eigen persoonlijkheid (het hechten aan de eigen persoonlijkheid; het hechten aan de leer van een zelf, van een “ik”). (M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van inbezitname, hechten ontstaat worden.

Worden*4] (bhavo) is afhankelijk van inbezitname, grijpen, hechten. Als inbezitname, grijpen, hechten aanwezig is, is worden aanwezig. Uit het grijpen, inbezitname ontstaat het worden. Als er geen inbezitname, hechten was, nergens, noch in vorm van zinnelijkheid, noch in vorm van theorieën, noch in vorm van religieuze oefeningen, noch in vorm van geloof in een ziel, als er helemaal geen hechten was, zou er geen worden kunnen ontstaan. Daarom is inbezitname, grijpen, hechten de oorzaak voor worden.

 

En wat is worden? – De drie vormen van het worden zijn: het worden (in de wereld) van de zinnelijkheid; het worden (in de wereld) van de vorm; het worden in de vormloze sfeer. (M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van worden ontstaat geboorte.

Geboorte (jati) is afhankelijk van worden. Als worden aanwezig is, is geboorte aanwezig. Als er geen worden was, nergens, noch in de zinnelijke sferen van bestaan, noch in de grofstoffelijke sferen van bestaan, noch in fijnstoffelijke of onstoffelijke sferen van bestaan, als er helemaal geen worden was, zou geen geboorte kunnen volgen. Daarom is worden de oorzaak voor geboorte.

 

En wat is geboorte? – Wat hier of elders het voortgebracht worden is, het in het bestaan treden, het verschijnen van de groeperingen van bestaan,*5] het verkrijgen van de zintuiglijke organen, het geboren worden: dat heet geboorte. (M.141; D.22; M.9)

 

 

* In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, verdriet, gejammer, lijden, ellende en wanhoop.

Ouderdom en sterven zijn afhankelijk van geboorte. Als geboorte aanwezig is, zijn ouderdom en sterven aanwezig. Als er geen geboorte was, nergens, niet in de godenwereld, noch in de lagere sferen van bestaan, noch in de menselijke wereld, als er helemaal geen geboorte was, zou er geen ouderdom en sterven kunnen volgen. Daarom is geboorte de oorzaak voor sterven. Afhankelijk van geboorte ontstaan ouderdom en dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed, zorg en wanhoop.

 

“En wat is ouder worden? - Wat hier of elders veroudering is, verval van de tanden, vergrijzing, het rimpelen van de huid, het afnemen van de levenskracht, het afsterven van de zinsorganen: dat heet ouder worden.” (M.141; D.22; M.9)

 

“En wat is sterven? - Wat hier of elders het afscheiden is, het uiteenvallen, het verdwijnen, de dood, het beëindigen van de levenstijd, het uiteenvallen van de groeperingen van bestaan, het afwerpen van het lichaam: dat heet sterven.” (M.141; M.9)

 

“En wat is verdriet? - Wat bij iemand die door het een of andere verlies of lijden getroffen is, bedroefdheid is, wanhoop, verslagenheid, innerlijke zorg: dat heet verdriet.” (M.141)

 

“En wat is geweeklaag? - Wat bij iemand die door het een of andere verdriet of lijden getroffen is, gejammer en treuren is: dat heet geweeklaag.” (M.141)

 

“En wat is pijn? - Wat lichamelijk pijnlijk en onaangenaam is, wat er bestaat aan pijnlijke en onaangename gevoelens die door lichamelijk contact veroorzaakt zijn: dat heet pijn.” (M.141)

 

“En wat is leed? - Wat geestelijk pijnlijk en onaangenaam is, wat er bestaat aan pijnlijke en onaangename gevoelens die door geestelijk contact veroorzaakt zijn: dat heet leed.” (M.141)

 

“En wat is wanhoop? - Wat bij iemand die door het een of andere verlies of lijden getroffen is, troosteloosheid en vertwijfeling is, de wanhopige en troosteloze geestestoestand: dat heet wanhoop.” (M.141)

 

Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand. Zo is het ontstaan van deze hele massa van lijden.

(D.14.2.18-19; D.15.2-22; Ud.1.1; S.12.1-10; S.12.21.3; S.12.22.2-4; S.12.46-49; S.12.65; S.12.67; S.55.28; M.38)

 

 

Als dit niet is, volgt dat niet; met het verdwijnen van het ene verdwijnt het andere.

 

"Bij afwezigheid waarvan is er geen ouderdom en sterven; door het beëindigen waarvan houdt ouderdom en sterven op?"

 

* Door het ophouden van onwetendheid houden wilsformaties op; met het geheel en al verdwijnen van onwetendheid verdwijnen wilsformaties (vormingen). Uit het restloze verdwijnen van niet-weten en de opheffing ervan volgt opheffing van de formaties, van de vormingen. Als onwetendheid niet aanwezig is, ontstaan er geen vormingen. (S.12.51)

 

* Met het verdwijnen van wilsformaties verdwijnt bewustzijn. Uit de opheffing van de vormingen volgt opheffing van het bewustzijn. Als geestlichamelijkheid afwezig is, is bewustzijn afwezig; door het ophouden van geestlichamelijkheid houdt bewustzijn op.

 

* Bewustzijn is afwezig als geestlichamelijkheid afwezig is. Met het verdwijnen van wilsformaties verdwijnt bewustzijn. Uit de opheffing van de vormingen volgt opheffing van het bewustzijn. Als geestlichamelijkheid afwezig is, is bewustzijn afwezig; door het ophouden van geestlichamelijkheid houdt bewustzijn op.

 

* Geestlichamelijkheid is afwezig als bewustzijn afwezig is. Met het verdwijnen van bewustzijn verdwijnt geestlichamelijkheid. Als bewustzijn afwezig is, is geestlichamelijkheid afwezig; door het ophouden van bewustzijn houdt geestlichamelijkheid op. Uit de opheffing van het bewustzijn volgt opheffing van naam en vorm.

 

* De zes zintuigen zijn afwezig als geestlichamelijkheid afwezig is. Met het verdwijnen van geestlichamelijkheid verdwijnt de zesvoudige basis. Als geestlichamelijkheid afwezig is, is het bereik van de zes zintuigen afwezig; door het ophouden van geestlichamelijkheid houden de zes zintuigen op. Uit de opheffing van naam en vorm volgt opheffing van het bereik van de zes zintuigen.

 

* Aanraking, contact is afwezig als de zes zintuigen afwezig zijn. Met het verdwijnen van de zesvoudige basis verdwijnt contact. Als de zes zintuigen afwezig zijn, is aanraking afwezig; door het ophouden van de zes zintuigen houdt contact, aanraking op. Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt opheffing van de aanraking.

 

* Gevoel is afwezig als aanraking afwezig is. Met het verdwijnen van contact verdwijnt gevoel, gewaarwording. Als aanraking, contact afwezig is, is gevoel afwezig; door het ophouden van aanraking houdt gevoel op. Uit de opheffing van contact, aanraking volgt opheffing van gevoel, gewaarwording.

 

* Dorst, begeerte is afwezig als gevoel afwezig is. Met het verdwijnen van gevoel verdwijnt begeerte. Als gevoel afwezig is, is levensdorst afwezig; door het ophouden van gevoel houdt levensdorst op. Uit de opheffing van het gevoel volgt opheffing van de dorst.

 

* Hechten, inbezitname is afwezig als begeerte, levensdorst afwezig is. Met het verdwijnen van dorst, verlangen verdwijnt inbezitname, grijpen, hechten. Als dorst afwezig is, is inbezitname, hechten afwezig; door het ophouden van dorst houdt inbezitname op. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen.

 

* Worden is afwezig als hechten, inbezitname afwezig is. Met het verdwijnen van hechten verdwijnt worden. Als inbezitname, hechten afwezig is, is worden afwezig; door het ophouden van inbezitname, hechten houdt worden op. Uit de opheffing van het grijpen, hechten volgt opheffing van het worden.

 

* Geboorte is afwezig als worden afwezig is. Met het verdwijnen van worden verdwijnt geboorte. Als worden afwezig is, is geboorte afwezig; door ophouden van worden houdt geboorte op. Uit de opheffing van worden volgt opheffing van geboorte.

 

* Ouderdom en sterven zijn afwezig, als geboorte afwezig is. Met het verdwijnen van geboorte verdwijnen ouderdom en dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop. Door ophouden van geboorte houdt ouderdom en sterven op. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, gejammer en wanhoop opgeheven.

( D.14.2.20; S.12.65; M.38)

 

Zo is het ophouden van deze hele massa van lijden. Dat is ophouden. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

(Ud.I.1-3; S.12.1-20; S.12.33; S.12.46-59; S.12.67; M.38; D.14.2.21; zie ook M.18).

 

_____

*1] Dit zijn de wedergeboorte producerende wilsacties (cetanâ), of kamma-formaties. (Nyanatiloka 1980, p. 158).

*2] De vijf zintuigen en de geest als zesde.

*3] ook in S.45.30; M.59.

*4] Worden: het proces van in bestaan treden als embryo of ei. Het bestaat in het actieve en het passieve levensproces, d.w.z. het wedergeboorte producerende kamma proces (kamma-bhava) en als gevolg ervan het wedergeboorte proces (upapatti-bhava). (Nyanatiloka: Buddhist Dictionary. Manual of Buddhist Terms and Doctrines. 4th ed/ Kandy 1980, p. 158).

*5] De groeperingen van bestaan (khandhā) zijn: vorm (rūpa), gevoel (vedanā), waarneming (saññā), formaties (samkhārā) en bewustzijn (viññāna).

 

4. De elementen I

4. De elementen I

 

Er zijn vier elementen, namelijk aarde, water, vuur en lucht. (S.14.30) [Uit die elementen is het lichaam opgebouwd]. – Wat is het aangename ervan, wat is het nadelige ervan en wat is het ontkomen eraan?

Lust en welgevallen die ten gevolge van die elementen ontstaan, dat is het aangename ervan.

Het onbestendige, smartelijke, veranderlijke, vergankelijke dat van die elementen ontstaat, dat is het nadelige ervan.

Het verwijderen van het verlangen en de begeerte ernaar, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen.

En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen aan de elementen. (Zie M.1)

Als er bij die elementen niets aangenaams was, zouden de wezens er geen welbehagen in vinden.

Als er bij die elementen niets nadeligs was, zouden de wezens er geen afkeer van hebben.

Als er bij die elementen geen ontkomen was, zouden de wezens er niet aan ontkomen.

Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid begrepen heeft, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)

Zolang als men dat nog niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, zolang is men nog niet ontkomen aan de kringloop van bestaan, is er dan nog niet van losgeraakt, is er dan nog niet van afgescheiden.

Maar wanneer men bij die vier elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

 

Wanneer de elementen alleen maar lijden waren, gevolgd door lijden, begeleid door lijden, wanneer ze niet ook begeleid werden door lust, dan zouden de wezens geen welgevallen eraan vinden. Maar ze zijn begeleid door lust en daarom vinden de wezens er welbehagen aan.

Wanneer de elementen alleen maar lust waren, begeleid door lust, wanneer ze niet ook door lijden begeleid werden, dan zouden de wezens er geen afkeer van hebben. Maar ze zijn begeleid door lijden en daarom vinden de wezens er afkeer van. (S.14.34)

 

Wie vreugde heeft aan de elementen, die heeft vreugde aan het lijden. En die is niet bevrijd van lijden.

Wie geen vreugde heeft aan de elementen, die heeft geen vreugde aan het lijden. En die is bevrijd van lijden. (S.14.35)

 

Het ontstaan van de elementen dat is ontstaan van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood.

De opheffing van de elementen, het tot rust komen ervan, dat is de opheffing van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood. (S.14.36)

 

Wie bij de vier elementen het aangename ervan, het schadelijke ervan en het ontkomen eraan niet overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die heeft het doel niet bereikt.

Maar wie bij de vier elementen het aangename ervan, het schadelijke ervan en het ontkomen eraan overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die heeft het doel begrepen en verwerkelijkt. (S.14.37-38)

Wie de elementen niet kent, wie de oorsprong ervan niet kent, wie de opheffing ervan niet kent en wie het pad dat naar de opheffing ervan voert niet kent, die heeft het doel niet bereikt.

Maar wie de elementen wel kent, de oorsprong ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, die heeft het doel door eigen inzicht bereikt. (S.14.39)

 

5. De elementen II

5. De elementen II

 

Er zijn verschillende andere elementen. Hier worden met elementen bedoeld de zintuigen, zintuiglijk waarneembare objecten en het bewustzijn dat ontstaat ten gevolge van contact van zintuig en object. Die elementen zijn:

oog (zien), vorm, bewustzijn van het zien;

oor (horen), geluid, bewustzijn van het horen;

neus (ruiken), geur, bewustzijn van het ruiken;

tong (proeven), smaak, bewustzijn van het proeven;

lichaam (aanraken), aanraakbaar voorwerp, bewustzijn van het aanraken;

geest (denken), gedachte, bewustzijn van het denken. (S.14.1)

 

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid der contacten. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens.

 

En hoe ontstaat dat alles?

 

Ten gevolge van het oog (zien) ontstaat het contact van het oog (zien). Ten gevolge van het contact van het oog (zien) ontstaat het gevoel dat door het contact van het oog (zien) veroorzaakt is.

Ten gevolge van het oor (horen) ontstaat het contact van het oor (horen). Ten gevolge van het contact van het oor (horen) ontstaat het gevoel dat door het contact van het oor (horen) veroorzaakt is.

Ten gevolge van de neus (ruiken) ontstaat het contact van de neus (ruiken). Ten gevolge van het contact van de neus (ruiken) ontstaat het gevoel dat door het contact van de neus (ruiken) veroorzaakt is.

Ten gevolge van de tong (proeven) ontstaat het contact van de tong (proeven). Ten gevolge van het contact van de tong (proeven) ontstaat het gevoel dat door het contact van de tong (proeven) veroorzaakt is.

Ten gevolge van het lichaam (aanraken) ontstaat het contact van het lichaam (aanraken). Ten gevolge van het contact van het lichaam (aanraken) ontstaat het gevoel dat door het contact van het lichaam (aanraken) veroorzaakt is.

Ten gevolge van de geest (denken) ontstaat het contact van de geest (denken). Ten gevolge van het contact van de geest (denken) ontstaat het gevoel dat door het contact van de geest (denken) veroorzaakt is.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen de verscheidenheid van de contacten. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens. (S.14.2-5)

 

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat verscheidenheid van de voorstelling. Ten gevolge van de verscheidenheid van de voorstelling ontstaat verscheidenheid van het willen. Ten gevolge van de verscheidenheid van het willen ontstaat verscheidenheid van de begeerte. Ten gevolge van de verscheidenheid van de begeerte ontstaat verscheidenheid van het vurig verlangen. Ten gevolge van de verscheidenheid van het vurig verlangen ontstaat verscheidenheid van het opzoeken. Ten gevolge van de verscheidenheid van het opzoeken ontstaat verscheidenheid van het grijpen.

 

Hoe ontstaat dat alles?

 

Ten gevolge van het element vorm ontstaat voorstelling van vorm. Ten gevolge van de voorstelling van vorm ontstaat willen van vorm. Ten gevolge van het willen van vorm ontstaat begeerte naar vorm. Ten gevolge van begeerte naar vorm ontstaat vurig verlangen naar vorm. Ten gevolge van vurig verlangen naar vorm ontstaat opzoeken van vorm. Ten gevolge van het opzoeken van vorm ontstaat het grijpen naar vorm.

Ten gevolge van de elementen geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte ontstaat voorstelling van geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte. Ten gevolge van de voorstelling van geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte ontstaat willen van geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte. Ten gevolge van het willen van geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte ontstaat begeerte naar geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte. Ten gevolge van begeerte naar geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte ontstaat vurig verlangen naar geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte. Ten gevolge van vurig verlangen naar geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte ontstaat opzoeken van geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte. Ten gevolge van opzoeken van geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte ontstaat grijpen naar geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen verscheidenheid van de voorstelling, van het willen, van de begeerte, van vurig verlangen, verscheidenheid van opzoeken, verscheidenheid van grijpen. (S.14.7; S.14.9.)

 

Deze elementen van vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte zijn afhankelijk van voedsel. Van het ontstaan van voedsel komt het ontstaan van vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte. Van het beëindigen van voedsel is het beëindigen van vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte, dat is de voldoening die er in vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte is. In zoverre als vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte vergankelijk is, vol van onvoldaanheid en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte zijn, dat is de ontsnapping eraan.

Allen die de ontsnapping aan vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte begrijpen, zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline. Zij zijn, zonder zich aan vorm, geluid, geur, smaak, aanraakbaar object, gedachte te hechten, daardoor bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen maat waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden. (S.22.25)

 

Wees bewaakt wat betreft de zinsorganen. Als je een materiële vorm ziet met het oog, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oog onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oog beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oog. (M.107; M.125.)

 

Als je een geluid gehoord hebt met het oor, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oor onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oor beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oor. (M.107; M.125.)

 

Als je een geur geroken hebt met de neus, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de neus onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de neus beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de neus. (M.107; M.125).

 

Als je een smaak geproefd hebt met de tong, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de tong onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de tong beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de tong. (M.107; M.125).

 

Als je een aanraking gevoeld hebt met het lichaam, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het lichaam onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het lichaam beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het lichaam. (M.107; M.125).

 

Als je een geestelijke staat onderkend hebt met de geest, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de geest onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de geest beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de geest. (M.107; M.125).

 

Men moet gematigd zijn bij het eten; men moet het voedsel tot zich nemen terwijl men zorgvuldig nadenkt. Men moet niet eten voor plezier of bevrediging of persoonlijke charme of om er mooier van te worden. Maar men moet juist genoeg gebruiken om dit lichaam te handhaven en om het op gang te houden, om het ongedeerd te houden, om de heilige levenswandel te bevorderen. En eet met de gedachte: “Aldus zal ik een oud gevoel van honger verdrijven en zal ik een nieuw gevoel van honger niet laten ontstaan, en er zal voor mij een lang leven zijn en onberispelijkheid, en ik zal op mijn gemak vertoeven.” (M.107; M.125) *1]

_____

*1]. Dit advies was gericht tot monniken; maar ook leken kunnen deze raad opvolgen.

 

6. Met oorzakelijke basis

6. Met oorzakelijke basis 

 

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van zinnelijke lust (kāma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van boosheid (vyāpāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van gewelddadigheid; ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

 

Hoe ontstaan zulke gedachten?

 

Ten gevolge van het element zinnelijke lust ontstaat de voorstelling van zinnelijke lust. Ten gevolge van de voorstelling van zinnelijke lust ontstaat het willen van zinnelijke lust. Ten gevolge van het willen van zinnelijke lust ontstaat begeerte naar zinnelijke lust. Ten gevolge van begeerte naar zinnelijke lust ontstaat vurig verlangen naar zinnelijke lust. Ten gevolge van het vurig verlangen naar zinnelijke lust ontstaat opzoeken van zinnelijke lust.

De niet onderwezen gewone mens die zinnelijke lust opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

 

Ten gevolge van het element boosheid ontstaat de voorstelling van boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van boosheid ontstaat het willen van boosheid. Ten gevolge van het willen van boosheid ontstaat begeerte naar boosheid. Ten gevolge van begeerte naar boosheid ontstaat vurig verlangen naar boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar boosheid ontstaat opzoeken van boosheid.

De niet onderwezen gewone mens die boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

 

Ten gevolge van het element gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van gewelddadigheid ontstaat het willen van gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van gewelddadigheid ontstaat begeerte naar gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar gewelddadigheid ontstaat opzoeken van gewelddadigheid.

De niet onderwezen gewone mens die gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

 

Wie deze verkeerde soorten van gedrag niet opgeeft, verwijdert, die heeft in dit leven al pijn en leed en wanhoop. En na de dood is een bestaan in lijden te verwachten.

 

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van ontzegging (nekkhhamma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-boosheid (avyapāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-gewelddadigheid (avihimsā-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

 

Hoe ontstaan zulke gedachten?

 

Ten gevolge van het element ontzegging ontstaat de voorstelling van ontzegging. Ten gevolge van de voorstelling van ontzegging ontstaat het willen van ontzegging. Ten gevolge van het willen van ontzegging ontstaat begeerte naar ontzegging. Ten gevolge van begeerte naar ontzegging ontstaat vurig verlangen naar ontzegging. Ten gevolge van het vurig verlangen naar ontzegging ontstaat opzoeken van ontzegging.

De onderwezen edele volgeling die ontzegging opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

 

Ten gevolge van het element niet-boosheid ontstaat de voorstelling van niet-boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-boosheid ontstaat het willen van niet-boosheid. Ten gevolge van het willen van niet-boosheid ontstaat begeerte naar niet-boosheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-boosheid ontstaat vurig verlangen naar niet-boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-boosheid ontstaat opzoeken van niet-boosheid.

De onderwezen edele volgeling die niet-boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

 

Ten gevolge van het element niet-gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-gewelddadigheid ontstaat het willen van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van niet-gewelddadigheid ontstaat begeerte naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid ontstaat opzoeken van niet-gewelddadigheid.

De onderwezen edele volgeling die niet-gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

 

Allen die verkeerde voorstellingen die bij hen ontstaan, direct opgeven, verwijderen, die leven hier in dit leven al gelukkig. En na de dood is een gelukkig bestaan te verwachten. (S.14.12.)

 

Het element onwetendheid is heel groot.

 

Ten gevolge van een laag element ontstaat een lage voorstelling, een lage gedachte, laag wensen, een lage persoonlijkheid, laag taalgebruik. Wat laag is deelt hij mee. Laag is zijn wedergeboorte.

 

Ten gevolge van een middelmatig element ontstaat een middelmatige voorstelling, een middelmatige gedachte, middelmatig wensen, een middelmatige persoonlijkheid, middelmatig taalgebruik. Wat middelmatig is deelt hij mee. Middelmatig is zijn wedergeboorte.

 

Ten gevolge van een voortreffelijk element ontstaat een voortreffelijke voorstelling, een voortreffelijke gedachte, voortreffelijk wensen, een voortreffelijke persoonlijkheid, voortreffelijk taalgebruik. Wat voortreffelijk is deelt hij mee. Voortreffelijk is zijn wedergeboorte. (S.14.13.)

 

7. Soort zoekt soort

7. Soort zoekt soort

 

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen. Degenen met lage neigingen komen samen met anderen die lage neigingen hebben. Degenen met voortreffelijke neigingen komen samen met anderen die voortreffelijke neigingen hebben.

Dat was vroeger zo. Dat is tegenwoordig zo. En ook in de toekomst zal dat zo zijn. (S.14.14)

 

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk. (S.14.16)

 

Vermijdt de trage die een zwakke wil ontplooit. Sluit je aan bij de edelen die eenzaam leven, met vastbesloten geest, die meditatieve verdieping uitoefenen, die hun wilskracht inspannen. (S.14.16)

 

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; wezens met lage neigingen komen samen met wezens met lage neigingen; ongelovigen komen samen met ongelovigen; gewetenlozen komen samen met gewetenlozen; niet fijngevoeligen komen samen met niet fijngevoeligen; niet onderwezenen komen samen met niet onderwezenen; tragen komen samen met tragen; verstrooiden komen samen met verstrooiden; onzedelijken komen samen met onzedelijken; onbezonnenen komen samen met onbezonnenen; wezens die de vijf regels niet navolgen komen samen met wezens die de vijf regels niet navolgen; zij die lasteren komen samen met hen die lasteren; zij die ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die ruwe taal gebruiken; zij die kletspraatjes verkondigen komen samen met degenen die kletsen; gierigen komen samen met gierigen; boosaardigen komen samen met boosaardigen; degenen die verkeerde visies hebben komen samen met wezens die verkeerde visies hebben; zij die verkeerd willen hebben komen samen met degenen die verkeerd willen hebben; zij die verkeerde daden verrichten komen samen met degenen die verkeerde daden verrichten; zij die een verkeerd levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een verkeerd levensonderhoud hebben; zij die zich op een verkeerde manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een verkeerde manier moeite doen; zij die zich verkeerd bezinnen komen samen met degenen die zich verkeerd bezinnen; zij die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een verkeerd weten hebben komen samen met degenen die een verkeerd weten hebben; zij die een verkeerde bevrijding hebben komen samen met degenen die een verkeerde bevrijding hebben; onwijzen komen samen met onwijzen.

 

Wezens met voortreffelijke neigingen komen samen met wezens die voortreffelijke neigingen hebben; gelovigen komen samen met gelovigen; nauwgezette wezens komen samen met nauwgezette wezens; fijngevoeligen komen samen met fijngevoeligen; goed onderwezenen komen samen met goed onderwezenen; energieke wezens komen samen met energieke wezens; geestelijk geconcentreerden komen samen met geestelijk geconcentreerden; zedelijken komen samen met zedelijken; bezonnenen komen samen met bezonnenen; wezens die de vijf regels navolgen komen samen met wezens die de vijf regels navolgen; zij die niet lasteren komen samen met hen die niet lasteren; zij die geen ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die geen ruwe taal gebruiken; zij die niet kletsen komen samen met degenen die zich onthouden van kletsen; niet gierigen komen samen met niet gierigen; niet boosaardigen komen samen met niet boosaardigen; degenen die juiste visies hebben komen samen met wezens die juiste visies hebben; zij die juist willen hebben komen samen met degenen die juist willen hebben; zij die goede daden verrichten komen samen met degenen die goede daden verrichten; zij die een juist levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een juist levensonderhoud hebben; zij die zich op een juiste manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een juiste manier moeite doen; zij die zich juist bezinnen komen samen met degenen die zich juist bezinnen; zij die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een juist weten hebben komen samen met degenen die een juist weten hebben; zij die een juiste bevrijding hebben komen samen met degenen die een juiste bevrijding hebben; wijzen komen samen met wijzen. (S.14.16-29)

 

8. Uitgebreide overweging

8. Uitgebreide overweging

 

Een juist overwegen is: “Wat is de oorzaak van dit veelvuldige lijden in de wereld? Wat is de oorsprong en oorzaak van ouderdom en dood?”

 

De basis

[de basis (upadhi) omvat alles waarop ons bestaan rust en wat ons het leven lief en waardevol laat schijnen.]

 

Als de basis aanwezig is, ontstaan ouderdom en dood. Als de basis niet aanwezig is, ontstaan ouderdom en dood niet.

Wat is de oorzaak van de basis; wat is de oorsprong ervan? Wat moet aanwezig zijn voor het ontstaan van de basis? – De basis heeft de dorst als oorzaak.

 

Dorst (1)

Als de dorst aanwezig is, ontstaat een basis; als de dorst niet aanwezig is, ontstaat geen basis.

Waar ontstaat de dorst? Waar dringt de dorst binnen als hij ontstaat? – Wat dierbaar en aangenaam is in de wereld, daar ontstaat de dorst steeds weer, daar dringt hij steeds weer binnen.

Wat is dierbaar en aangenaam in de wereld? – Het zien is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

Het horen is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

Het ruiken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

Het proeven is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

Het aanraken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

Het denken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

 

Dorst neemt toe bij degene die het aangename van de dingen die met grijpen en met de boeien*2] samenhangen, in het oog heeft. (S.12.52-60)

_____

*2] Boeien: er worden in totaal 10 boeien onderscheiden die de mens aan de wereld ketenen. Daartoe behoren o.a. verkeerd inzicht, twijfel, onwetendheid. – Over de vijf lagere boeien, zie: smetten - heiligheid -soorten bevrijding, § 1.5.

 

Ouderdom en dood

Ouderdom en dood hebben de geboorte als oorzaak. De geboorte is de oorsprong van ouderdom en dood. Ze zijn ontstaan uit de geboorte. Wanneer geboorte er niet is, zijn ouderdom en dood er niet. Ook in vroegere tijden ontstonden uit de geboorte ouderdom en dood. Als er toen geen geboorte was, waren ouderdom en dood er niet. Ook in de toekomst zullen uit geboorte ouderdom en dood ontstaan. Wanneer er dan geen geboorte is, zullen ouderdom en dood er niet zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van de geboorte is oorzaak voor de ontwikkeling van ouderdom en dood. De opheffing van geboorte is oorzaak voor de opheffing van ouderdom en dood. En het pad naar opheffing ervan is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Geboorte

De geboorte heeft het worden als oorzaak. Het worden is de oorsprong ervan; geboorte is ontstaan uit worden. Wanneer worden er niet is, is geboorte er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het worden de geboorte. Als er toen geen worden was, was er geen geboorte. Ook in de toekomst zal uit worden geboorte ontstaan. Wanneer er dan geen worden is, zal er geen geboorte zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van het worden is oorzaak voor de ontwikkeling van de geboorte. De opheffing van het worden is oorzaak voor de opheffing van de geboorte. Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Worden

Het worden heeft het grijpen, de inbezitname als oorzaak. Het grijpen is de oorzaak van worden; het worden is ontstaan uit grijpen. Wanneer grijpen er niet is, is worden er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het grijpen het worden. Als er toen geen grijpen was, was er geen worden. Ook in de toekomst zal uit het grijpen het worden ontstaan. Wanneer er dan geen grijpen is, zal er geen worden zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van het grijpen, de inbezitname is oorzaak voor de ontwikkeling van het worden. De opheffing van het grijpen, van de inbezitname is oorzaak voor opheffing van het worden. Het pad dat voert naar de opheffing van het worden is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Grijpen, inbezitname

Het grijpen heeft de dorst als oorzaak. De dorst is de oorzaak van grijpen; grijpen is ontstaan uit dorst. Wanneer dorst er niet is, is grijpen er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit de dorst het grijpen. Als er toen geen dorst was, was er geen grijpen. Ook in de toekomst zal uit dorst grijpen ontstaan. Wanneer er dan geen dorst is, zal er geen grijpen zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

 

Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen verband houden, in het oog heeft, neemt de dorst toe.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen.

De ontwikkeling van de dorst is de oorzaak voor de ontwikkeling van het grijpen, de inbezitname. De opheffing van de dorst is de oorzaak voor de opheffing van het grijpen, de inbezitname. Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Dorst (2)

De dorst heeft het gevoel als oorzaak. Het gevoel is de oorzaak van de dorst; de dorst is ontstaan uit het gevoel. Wanneer gevoel er niet is, is dorst er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het gevoel de dorst. Als er toen geen gevoel was, was er geen dorst. Ook in de toekomst zal uit gevoel dorst ontstaan. Wanneer er dan geen gevoel is, zal er geen dorst zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

 

Vier soorten voedsel dienen de wezens die (al) geboren zijn, tot onderhoud. En zij dienen de wezens die naar wedergeboorte zoeken, tot steun. Die vier soorten voedsel zijn: eetbare spijzen, aanraking, het denken van de geest, het bewustzijn. De oorzaak, de oorsprong van die vier soorten voedsel is de dorst. (S.12.11; M.38)

De ontwikkeling van het gevoel is oorzaak voor de ontwikkeling van de dorst. De opheffing van het gevoel is oorzaak voor de opheffing van de dorst. Het pad dat voert naar de opheffing van de dorst is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Eens werd aan de Boeddha gevraagd wie die vier soorten van voedsel tot zich nemen. De Verhevene gaf ten antwoord dat de vraag verkeerd gesteld was. Ik zeg niet: “hij neemt tot zich.” Maar juist is de vraag “waartoe dienen die soorten voedsel?” Het juiste antwoord erop is dan: “Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw bestaan. Daaruit ontstaan de zes zintuigen en daaruit ontstaat aanraking. Uit de aanraking ontstaat het gevoel. Daaruit ontstaat de dorst. (S.12.12)

 

Allen die in het verleden datgene wat in de wereld dierbaar en aangenaam is, beschouwd hebben als blijvend, als vol lust, als hun zelf, als welzijn, die dat hebben beschouwd als de vrede, die hebben de dorst vergroot.

Degenen die de dorst vergroot hebben, hebben de basis vergroot en daarmee ook het lijden. Zij zijn niet bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van pijn, droefheid, leed, zorg en wanhoop. Zij zijn niet bevrijd van lijden. (S.12.13; Zie ook S.12.52 en S.12.66)

Maar bij degene die het schadelijke van de dingen die met grijpen en met de boeien samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. (S.12.52-57)

Allen die in het verleden of in de tegenwoordige tijd datgene wat in de wereld dierbaar en aangenaam is, beschouwd hebben en beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar, die hebben de dorst opgegeven.

Degenen die de dorst hebben opgegeven, hebben de basis opgegeven, en daarmee ook het lijden. Degenen die het lijden opgeven, worden bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, worden bevrijd van pijn, droefheid, leed, zorg en wanhoop. Zij worden bevrijd van lijden. (S.12.13; S.12.33; S.12.66)

 

Gevoel

Het gevoel heeft de aanraking als oorzaak. De aanraking is de oorzaak van het gevoel; gevoel is ontstaan uit de aanraking. Wanneer aanraking er niet is, is gevoel er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit aanraking het gevoel. Als er toen geen aanraking was, was er geen gevoel. Ook in de toekomst zal uit aanraking gevoel ontstaan. Wanneer er dan geen aanraking is, zal er geen gevoel zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing.(S.12.34)

De ontwikkeling van het contact is oorzaak voor de ontwikkeling van het gevoel. De opheffing van het contact is oorzaak voor de opheffing van het gevoel. Het pad dat voert naar de opheffing van gevoel is het edele achtvoudige pad. (M.9; S.45.29)

 

Aanraking

De aanraking heeft het bereik van de zes zintuigen als oorzaak. Het bereik van de zes zintuigen is de oorzaak van de aanraking; aanraking is ontstaan uit de zes zintuigen. Wanneer het bereik van de zes zintuigen er niet is, is aanraking er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het bereik van de zes zintuigen de aanraking. Als er toen geen bereik van de zes zintuigen was, was er geen aanraking. Ook in de toekomst zal uit het bereik van de zes zintuigen aanraking ontstaan. Wanneer er dan geen bereik van de zes zintuigen is, zal er geen aanraking zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de ontwikkeling van de aanraking, het contact. De opheffing van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de opheffing van de aanraking, het contact. Het pad naar opheffing van contact is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Het bereik van de zes zintuigen

Het bereik van de zes zintuigen heeft naam en vorm als oorzaak. Wanneer naam en vorm er niet is, is het bereik van de zes zintuigen er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit naam en vorm het bereik van de zes zintuigen. Als er toen geen naam en vorm was, was er geen bereik van de zes zintuigen. Ook in de toekomst zal uit naam en vorm het bereik van de zes zintuigen ontstaan. Wanneer er dan geen naam en vorm is, zal er geen bereik van de zes zintuigen zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van naam en vorm is oorzaak voor de ontwikkeling van het bereik van de zes zintuigen. De opheffing van naam en vorm is oorzaak voor de opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Het pad dat voert naar de opheffing van het bereik van de zes zintuigen is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Naam en vorm

Naam en vorm heeft het bewustzijn als oorzaak. Wanneer bewustzijn er niet is, is naam en vorm er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit bewustzijn naam en vorm. Als er toen geen bewustzijn was, was er geen naam en vorm. Ook in de toekomst zal uit bewustzijn naam en vorm ontstaan. Wanneer er dan geen bewustzijn is, zal er geen naam en vorm zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van het bewustzijn is oorzaak voor de ontwikkeling van naam en vorm. De opheffing van het bewustzijn is oorzaak voor de opheffing van naam en vorm. Het pad dat voert naar de opheffing van naam en vorm is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Naam en vorm, geestlichamelijkheid verschijnt bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt naam en vorm niet. (S.12.58)

 

Dit lichaam behoort ons niet toe, noch behoort het anderen toe.

Het lichaam is te verstaan als het vroegere kamma, [d.w.z. door het vroegere kamma voortgebracht], door daden voortgebracht, door denken voortgebracht, door gevoel voortgebracht.

Daarom overweegt een onderwezen edele volgeling de wet van het oorzakelijk ontstaan, namelijk: als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dit niet is, volgt dat niet; uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere. (S.12.37)

 

Bewustzijn

Bewustzijn heeft de formaties als oorzaak. Wanneer de formaties er niet zijn, is bewustzijn er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit de formaties het bewustzijn. Als er toen geen formaties waren, was er geen bewustzijn. Ook in de toekomst zal uit de formaties bewustzijn ontstaan. Wanneer er dan geen formaties zijn, zal er geen bewustzijn zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van de formaties is oorzaak voor de ontwikkeling van het bewustzijn. De opheffing van de formaties is oorzaak voor de opheffing van het bewustzijn. Het pad dat voert naar de opheffing van het bewustzijn is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw ontstaan. (S.12.11)

Bewustzijn verschijnt bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt bewustzijn niet. (S.12.58)

 

Formaties, vormingen

De formaties, vormingen hebben onwetendheid als oorzaak. Wanneer onwetendheid er niet is, zijn de formaties er niet. Ook in vroegere tijden ontstonden uit onwetendheid de formaties. Als er toen geen onwetendheid was, waren er geen formaties. Ook in de toekomst zullen uit onwetendheid de formaties ontstaan. Wanneer er dan geen onwetendheid is, zullen er geen formaties zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de formaties. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de formaties. Het pad dat voert naar de opheffing van de formaties is het edele achtvoudige pad. (M.9; S.12.33)

 

Wanneer iemand, die met onwetendheid begiftigd is, formaties teweegbrengt die verdienstelijk zijn, dan is het bewustzijn voorzien van verdienste. Wanneer die persoon formaties teweegbrengt die niet verdienstelijk zijn, dan is het bewustzijn voorzien van niet-verdienste. Wanneer die persoon formaties teweegbrengt die in evenwicht (van verdienste en niet-verdienste) zijn, dan is het bewustzijn voorzien van zo'n evenwicht. (S.12.51)

 

En degene die aldus volledig de vormingen kent, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, hij of zij heeft het weten van de waarheid. Wanneer een edele volgeling(e) dit weten gereinigd en gezuiverd bezit, dan is die persoon met juist inzicht begiftigd, bezit het inzicht van de strevende, is begiftigd met het oog der waarheid. Hij of zij bezit dan het inzicht in de hoogste waarheid en klopt aan aan de poort van Nibbana. (S.12.33)

 

Onwetendheid

De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van onwetendheid. Het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid is het achtvoudige pad. (M.9)

Er zijn drie soorten van neigingen: neiging tot zinnelijkheid, neiging tot bestaan, neiging tot onwetendheid.

De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen. Het pad dat voert naar de opheffing van de neigingen is het edele achtvoudige pad. (M.9)

 

Na het verdwijnen van onwetendheid komen bij de volmaakte heilige geen vragen meer op over ouderdom en dood, geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, het bereik van de zes zintuigen, naam-en-vorm, bewustzijn. (S.12.35)

 

Conclusie

Uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de vormingen. Uit de vormingen als oorzaak ontstaat het bewustzijn. Uit het bewustzijn als oorzaak ontstaat naam en vorm. Uit naam en vorm als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood. Zo komt de hele massa van lijden tot stand.

 

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van de zes zintuigen volgt opheffing van aanraking. Uit de opheffing van aanraking volgt opheffing van gevoel. Uit de opheffing van gevoel volgt opheffing van dorst. Uit de opheffing van dorst volgt opheffing van grijpen. Uit de opheffing van grijpen volgt opheffing van worden. Uit de opheffing van worden volgt opheffing van geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier wordt de hele massa van lijden opgeheven.

(S.12.11; S.12.24; S.12.34-35; S.12.37; S.12.52-55; S.12.58; M.38)

 

Oorzakelijk ontstaan zijn begeerte en lijden. De oorzaak ervan is aanraking, contact. Als lichamelijke activiteiten plaatsvinden, dan ontstaat vanwege het bewust worden van de lichamelijke activiteiten voor de eigen persoon begeerte en lijden. Of wanneer spreken plaatsvindt, dan ontstaat vanwege het bewust worden van het spreken voor de eigen persoon begeerte en lijden. Of wanneer denken plaatsvindt, dan ontstaat vanwege het bewust worden van het denken voor de eigen persoon begeerte en lijden.

Door onwetendheid als oorzaak veroorzaakt men zelf een formatie van de lichamelijke activiteit of een formatie van het spreken of een formatie van het denken. En ten gevolge daarvan ontstaan voor iemand in de eigen persoon begeerte en lijden. Of anderen veroorzaken zulke formaties ten gevolge waarvan voor iemand in de eigen persoon begeerte en lijden ontstaan. Met overleg of zonder overleg veroorzaakt men zulke formaties ten gevolge waarvan voor de eigen persoon begeerte en lust ontstaan.

In al deze gevallen is men op onwetendheid [als laatste oorzaak] uitgekomen. Maar na het restloze verdwijnen en na opheffing van de onwetendheid is er geen lichamelijke activiteit ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Dan is er geen spreken ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Dan is er geen denken ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Er is dan geen veld, geen basis, er is dan geen bereik, geen betrekking ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. *3](S.12.25)

_____

*3] En wel omdat die persoon bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd in direct inzicht. (zie D.15)

 

Oorzakelijk ontstaan is het lijden. De oorzaak ervan is aanraking, contact. (S.12.26)

Uit de oorsprong van de geboorte volgt de oorsprong van ouderdom en dood. Uit de opheffing van geboorte volgt opheffing van ouderdom en dood.

Het edele achtvoudige pad is de weg die naar opheffing van ouderdom en dood voert, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste concentratie, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest. (S.12.27; S.12.33; zie ook S.12.65)

 

Wanneer nu een edele volgeling(e) op deze manier het oorzakelijke ontstaan kent, de oorsprong van het oorzakelijke ontstaan kent, de opheffing van het oorzakelijke ontstaan kent, en op die manier de weg kent die voert naar de opheffing van het oorzakelijke ontstaan, zo iemand heet een edele volgeling(e) die met juist inzicht begiftigd is. Hij of zij bezit het inzicht en het weten van de ijverige, heeft het oog van de waarheid; heeft doordringend inzicht in de hoogste waarheid. Aangekomen is die persoon aan de poort van Nibbana. (S.12.27)

 

Beknopte weergave van het oorzakelijke ontstaan

Beknopte weergave van het oorzakelijke ontstaan

 

* Door inbezitname ontstaat een ik-bewustzijn (ik ben, ik zie, ik hoor etc.).

* Het ik-bewustzijn dat tot wedergeboorte voert, ontstaat afhankelijk van wilsformaties, namelijk de wedergeboorte producerende wilsacties (cetanâ), of kamma-formaties.

* Het wedergeboorte veroorzakende bewustzijn zoekt een plaats in een moederschoot.

* Na de conceptie volgt de geboorte.

* Door de geboorte komt er een lichaam en geest; een lichaam met de zes zintuigen.

* Uit onwetendheid ontstaan de formaties, vormingen. [Daden, woorden, gedachten].

* Uit de vormingen ontstaat ik-bewustzijn.

* Uit het bewustzijn ontstaat geestlichamelijkheid.

Gevoel, waarneming, bedoeling, voorstelling, denken, aanraking, oplettendheid, overweging: dat heet geest.

De vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de vorm die afhankelijk is van die grofstoffelijke elementen, dat heet lichaam. (M.9)

* Als er geen geestlichamelijkheid is, ontstaan er geen zintuigen.

* Door de zintuigen is er contact met de zintuiglijk waarneembare objecten.

* Door het contact ontstaat gevoel, gewaarwording, waarneming.

* Ten gevolge van gewaarwording, waarneming ontstaat verlangen, begeerte, hechten, inbezitname.

* Dan ontstaan worden, conceptie, geboorte, ouderdom en dood.

 

* De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen.

* Door het ophouden van onwetendheid houden wilsformaties op.

Geen wilsformaties --> geen bewustzijn.

Geen geestlichamelijkheid --> geen bewustzijn.

Geen bewustzijn --> geen geestlichamelijkheid.

Geen geestlichamelijkheid --> geen zes zintuigen.

Geen zes zintuigen --> geen contact.

Geen contact --> geen gevoel.

Geen gevoel --> geen begeerte.

Geen dorst, begeerte --> geen hechten, inbezitname.

Geen hechten, inbezitname --> geen worden, geen proces van in bestaan treden.

Geen worden --> geen geboorte.

Geen geboorte --> geen ouderdom en sterven.

 

9. Naar bevrijding

9. Naar bevrijding

 

Allen die ouderdom en dood niet kennen, die de oorsprong ervan niet kennen, die de opheffing ervan niet kennen, die het pad dat voert naar opheffing van ouderdom en dood niet kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties niet kennen, die de opheffing ervan niet kennen, die de weg niet kennen die voert naar de opheffing ervan, – zij allen hebben het doel niet bereikt. Zij komen niet over ouderdom en dood heen.

Maar allen die ouderdom en dood wel kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties wel kennen, die de opheffing ervan kennen, die de weg kennen die naar de opheffing ervan voert, die hebben het doel hier al bereikt. (S.12.13-14; S12.29-30; S.12.71-81)

 

Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen. (S.12.20)

 

Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet: “Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”

Hij of zij vraagt dan ook niet: “Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”

Hij vraagt dan ook niet: “Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”

Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.12.20; M.38)

Slecht leeft de trage. Verstrikt in slechte, kwade dingen verzuimt hij of zij het grote zegenrijke doel. De energieke echter leeft goed. Vrij van slechte, kwade dingen bereikt hij of zij het grote zegenrijke doel.

Houdt de Meester steeds voor ogen. Streeft met energie naar het bereiken van datgene wat nog niet bereikt is.

Op die manier zal de afkeer van de wereld niet tevergeefs zijn. Ze zal vrucht en resultaat hebben. En de goede daden van de mensen die ons verzorgen met kleding, voedsel, woning, en medicijnen, zal rijke vrucht en rijke zegen dragen.*1]

Want als men het eigen heil voor ogen heeft, dan is het juist om onvermoeibaar te streven. Of als men het heil van anderen in het oog heeft, dan is het juist om onvermoeibaar te streven. Of als men het heil van beiden in het oog heeft, dan is het juist om onvermoeibaar te streven. (S.12.22)

 

Bij de wetende, bij de ziende doet zich de vernietiging van wereldlijke invloeden*2] voor, niet bij de onwetende.

Wat moet men weten, wat moet men zien zodat vernietiging van wereldlijke invloeden zich voordoet? – Zo is vorm, zo is de oorsprong van vorm, zo is het ophouden van vorm; zo is gevoel, zo is de oorsprong van gevoel, zo is het ophouden van gevoel; zo is gewaarwording, zo is de oorsprong van gewaarwording, zo is het ophouden van gewaarwording; zo zijn de formaties, zo is de oorsprong van de formaties, zo is het ophouden van de formaties; zo is bewustzijn, zo is de oorsprong van bewustzijn, zo is het ophouden van bewustzijn. – Dat moet men weten, dat moet men zien zodat vernietiging van wereldlijke invloeden tot stand komt. (S.12.23; S.12.33)

Het weten echter dat men de vernietiging (van wereldlijke invloeden) bezit, heeft een voorwaarde. Die voorwaarde is de bevrijding. En ook de bevrijding heeft een voorwaarde. De voorwaarde voor de bevrijding is het verdwijnen [van de wereldlijke dingen].*3] En ook het verdwijnen heeft een voorwaarde, namelijk de afkeer.*4]

De afkeer heeft een voorwaarde en wel het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. En ook het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn heeft zijn voorwaarde. Die voorwaarde is de geestelijke concentratie. En ook de geestelijke concentratie heeft een voorwaarde, namelijk de gelukzaligheid. En ook de gelukzaligheid heeft een voorwaarde, namelijk de vrede van het gemoed. En die vrede van het gemoed heeft als voorwaarde de vreugde. De vreugde heeft als voorwaarde het welbehagen.*5] Het welbehagen heeft als voorwaarde het vertrouwen.*6] Het vertrouwen heeft als voorwaarde het lijden. Het lijden heeft als voorwaarde de geboorte. De geboorte heeft als voorwaarde het worden. Het worden heeft als voorwaarde het grijpen. Het grijpen heeft als voorwaarde de dorst. De dorst heeft als voorwaarde het gevoel. Het gevoel heeft als voorwaarde de aanraking. De aanraking heeft als voorwaarde het bereik van de zes zintuigen. Het bereik van de zes zintuigen heeft als voorwaarde naam en vorm. En naam en vorm heeft als voorwaarde het bewustzijn. Maar ook het bewustzijn heeft zijn voorwaarde, namelijk de formaties. En de formaties hebben als voorwaarde de onwetendheid.

De formaties hebben onwetendheid als voorwaarde. Het bewustzijn heeft de formaties als voorwaarde. Naam en vorm heeft bewustzijn als voorwaarde. Het bereik van de zes zintuigen heeft naam en vorm als voorwaarde. Aanraking heeft het bereik van de zes zintuigen als voorwaarde. Gevoel heeft aanraking als voorwaarde. Dorst heeft gevoel als voorwaarde. Grijpen heeft dorst als voorwaarde. Worden heeft grijpen als voorwaarde. Geboorte heeft worden als voorwaarde. Lijden heeft geboorte als voorwaarde. Vertrouwen heeft lijden als voorwaarde. Welbehagen heeft vertrouwen als voorwaarde. Vreugde heeft welbehagen als voorwaarde. Vrede van het gemoed heeft vreugde als voorwaarde. Gelukzaligheid heeft vrede van het gemoed als voorwaarde. Geestelijke concentratie heeft gelukzaligheid als voorwaarde. Weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, hebben geestelijke concentratie als voorwaarde. Afkeer heeft weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn als voorwaarde. Verdwijnen heeft afkeer als voorwaarde. Bevrijding heeft verdwijnen als voorwaarde. Het weten van de vernietiging van wereldlijke invloeden heeft bevrijding als voorwaarde. (S.12.23)

 

Oorzakelijk ontstaan is het lijden. En wel vanwege de oorzaak van contact.

_____

*1] Dit werd gezegd tegen monniken. Maar het geldt natuurlijk ook voor leken.

*2] wereldlijke invloeden: asava. Nauw verwant met kilesa: bevlekkingen, smetten. Door de invloeden van de empirische dingen op ons denken ontstaan daarin de smetten die inzicht van de waarheid verhinderen.

*3] Verdwijnen, verbleken, nirodha. De dingen verven niet meer af op het denken. Het denken is als een kleurloze doorzichtige kristal die de kleur van de ondergrond aanneemt. Voor degene die op de weg is naar de bevrijding, verdwijnen dus de wereldlijke dingen.

*4] Afkeer, nibbida. Afkeer van de empirische dingen. Die afkeer ontstaat zodra men de onbeduidendheid van de dingen onderkend heeft.

*5] sukkha, gelukzaligheid; passaddhi, vrede van het gemoed; piti, vreugde; pamojja, welbehagen; – zij drukken de steeds groter wordende innerlijke gevoelens van geluk uit die ondervonden worden tijdens het voortgaan op de heilsweg. Ze bereiken tenslotte de top in samadhi met de jhanas.

*6] vertrouwen,saddha . – Het is vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha.

 

Schema

Schema

 

Onwetendheid –> geest-lichamelijkheid /wilsformaties /vormingen –> bewustzijn –> naam en vorm /geest-lichamelijkheid –> de zes zintuigen –> aanraking /contact –> gewaarwording /gevoel –> dorst /hevig verlangen – inbezitname /grijpen /hechten –> worden –> geboorte –> ouderdom en dood /lijden –> vertrouwen –> welbehagen –> vreugde –> vrede van het gemoed –> gelukzaligheid –> geestelijke concentratie –> weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn –> afkeer –> verdwijnen –> bevrijding –> weten van de vernietiging van wereldlijke invloeden

 

10. Eindoverdenking

10. Eindoverdenking

 

Eens beweerde men dat de aarde het centrum was waar alles om draaide, ook de zon. Later kwam men tot de ontdekking dat de aarde om de zon draait en niet andersom. Dat was toen een hele verandering in denken. En het heeft lang geduurd voordat het nieuwe weten geaccepteerd werd. Nog later ontdekte men dat er behalve het zonnestelsel en de Melkweg nog meer planetaire stelsels zijn.

De Boeddha ontdekte de keten van oorzakelijk ontstaan. Er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.

Hij vroeg zich af hoe men kan ontkomen aan een leven in frustratie, onvoldaanheid, lijden, ouderdom en sterven. Hij zag in dat daaraan pas een einde komt als geboorte afwezig is. En men wordt niet meer geboren als onwetendheid geheel en al verdreven is.

 

Door het niet inzien van oorzakelijk ontstaan denkt men dat er een blijvende kern is, een “ik”, een ego dat alles veroorzaakt. Maar als men oorzakelijk ontstaan volledig begrijpt, dan ziet men in dat er geen ego bestaat. Dan kan geen geboorte meer volgen. Dan zijn er alleen oorzakelijk ontstane dingen, zonder een blijvende kern. Wie dit inziet, die geeft het hechten aan iets of iemand op. Zijn of haar gemoed is dan vrij.

 

“De lichamelijkheid is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de lichamelijkheid, ook dat is niet-ik. De lichamelijkheid die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?

Gevoel is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van gevoel, ook dat is niet-ik. Het gevoel dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Waarneming is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de waarneming, ook dat is niet-ik. De waarneming die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?

De formaties zijn niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de formaties, ook dat is niet-ik. De formaties die ontstaan zijn door iets dat zonder een ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?

Het bewustzijn is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van het bewustzijn, ook dat is niet-ik. Het bewustzijn dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Ze zijn allemaal niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan ervan, ook dat is niet-ik. Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, ontstaan door iets dat zonder ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?” (S.XXII.20)

 

Het oog is ontstaan. De zichtbare vormen zijn ontstaan. Het zien-bewustzijn is ontstaan door contact van oog en zichtbare vorm. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik zie”. Maar in feite is er niemand die ziet. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van zien-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

Het oor is ontstaan. De hoorbare geluiden zijn ontstaan. Het hoor-bewustzijn is ontstaan door contact van oor en hoorbare geluiden. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik hoor”. Maar in feite is er niemand die hoort. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van hoor-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

De neus is ontstaan. De ruikbare geuren zijn ontstaan. Het ruik-bewustzijn is ontstaan door contact van neus en ruikbare geuren. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik ruik”. Maar in feite is er niemand die ruikt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van ruik-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

De tong is ontstaan. De proefbare smaken zijn ontstaan. Het smaak-bewustzijn is ontstaan door contact van tong en proefbare smaken. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik proef”. Maar in feite is er niemand die proeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van smaak-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

Het lichaam is ontstaan. De aanraakbare voorwerpen zijn ontstaan. Het aanraak-bewustzijn is ontstaan door contact van lichaam en aanraakbare voorwerpen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik raak aan”. Maar in feite is er niemand die aanraakt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van aanraak-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

Het geestelijke is ontstaan en zal weer vergaan. Het geestelijke is niet blijvend, het is zonder een zelfstandig iets.

Gedachten zijn ontstaan. De denkbare dingen zijn ontstaan. Het denk-bewustzijn is ontstaan door contact van geest en denkbare dingen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik denk”. Maar in feite is er niemand die denkt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van denk-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

Gevoelens zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik heb een gevoel”. Maar in feite is er niemand die een gevoel heeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van gevoelens. Emoties, een glimlach, een traan, ze zijn oorzakelijk ontstaan. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

Herinneringen zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik herinner me”. Maar in feite is er niemand die zich iets herinnert. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van herinneringen. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

 

“Men moet boosheid opgeven. Men moet hoogmoed opgeven. Men moet alle boeien overwinnen. Hecht niet aan geest en lichaam en wees aldus vrij van leed.” (Dhp. 221)

 

Het lichamelijke is ontstaan en ook het geestelijke. En wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend, is zonder een “zelf”. Wat niet blijvend is, is niet van mij; dat behoort mij niet toe. Dus moet ik dat loslaten, mij ervan afkeren. Zo wordt de bevrijding van lijden bereikt.

 

Die bevrijding is een toestand van een vrij gemoed, een niet gevestigd bewustzijn, een weten, een gewaarzijn, een bewustzijn dat zich niets meer toe-eigent, dat zich nergens meer aan hecht. En die vrijheid van het gemoed kan men bereiken door de leer van de Boeddha na te volgen. Geef begeerte, afkeer en onwetendheid op; volg het achtvoudige pad.

Het vrije bewustzijn, het vrije gewaarzijn is het bewustzijn dat waarlijk eenzaam is: het is zonder de metgezellen begeerte, verlangen, haat, afkeer, en onwetendheid. Het is vrij van de mening “ik ben”. Bij het zien is alleen het zien; bij het horen is alleen het horen; bij het ruiken is alleen het ruiken; bij het proeven is alleen het proeven; bij het aanraken is alleen het aanraken; bij het denken is alleen het denken. (Zie Ud.1.10)

Het vrije gewaarzijn stelt niet samen en is niet samengesteld. Wat niet is samengesteld, kan niet uiteen vallen.

 

Wanneer iemand het gewaarzijn niet als het zelf opvat, die hecht niet meer aan iets in de wereld. Nergens aan hechtend beeft hij niet; niet bevend komt hij uit eigen kracht tot volledig uitdoven.

Wie nu met betrekking tot die persoon zou zeggen dat hij na de dood is, of dat hij na de dood niet is, of dat hij na de dood zowel is als niet is, of dat hij na de dood noch is noch niet is, – dat is een onmogelijkheid. En wel omdat die persoon bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd in direct inzicht. (zie D.15)

 

Waar geen geboorte van een ik is, kan ook geen dood van een ik volgen. Als de geest vrij is, niet meer beperkt, dan is aan het lijden een einde gekomen. Het bewustzijn, het gewaarzijn dat niets zijn eigen noemt, is oneindig en helder stralend. Het is doorzichtig, onvindbaar. (M.49)

 

En die vrije geest kan men o.a. verkrijgen door het overwegen van oorzakelijk ontstaan.

 

 

Men moet niet vergeten dat de leer van de Boeddha een middel is om aan de andere oever te geraken.

“Dat is niet van mij, dat behoort mij niet toe; dus laat ik het liggen, trek het mij niet aan.” Door zo te denken komt geleidelijk een loslaten. Er verdwijnt alleen een verkeerde mening.

 

Als ik mijn ogen sluit, verdwijnen voor mij de zichtbare objecten. Maar ze zijn er wel nog. Door alles los te laten, door mij niets meer toe te eigenen, door mij nergens meer aan vast te hechten, verdwijnen voor mij de groeperingen waaraan normaal gehecht wordt. Ze verdwijnen uit het zich toe-eigenende bewustzijn. Het gewaarzijn hecht zich nergens meer aan. Het is zonder voorkeur naar iets.

“Dat wil ik graag hebben,” die gedachte komt niet meer op in het gemoed van de volmaakte heilige. Het gewaarzijn is dan zonder begeerte.

“Dat lust ik niet, dat wil ik niet, dat heb ik niet graag.” Zulke gedachten komen niet meer in het gemoed van de volmaakte heilige.

Hij ziet iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

Hij hoort iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

Hij ruikt iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

Hij proeft iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

Hij raakt iets aan, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

Hij denkt iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

 

Hij weet dat alles door oorzaken ontstaan is; en zijn gemoed is geheel en al bevrijd van zich iets toe-eigenen.

Een grote vrede treedt in.

Verder kan ik het niet uitleggen.

 

--==--

Bronnen

Geraadpleegde bronnen

 

Dahlke, Paul: Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden, s.a.

 

Geiger, Wilhelm (Übers.) Samyutta-Nikaya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pali-Kanon der Buddhisten, zum ersten Mal ins Deutsche übertragen von Wilhelm Geiger. Bd.1.München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930; Bd.2. München-Neubiberg: Oskar Schloss, 1925.

 

Horner, I.B. (tr.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Translated from the Pāli by I.B. Horner. Oxford: PTS, 2000.

 

Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

 

Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.

 

Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta), Vol. II. Oxford : PTS, 1992. (Pali Text Society Translation Series No. 45). (Revised transl. with introduction and notes).

 

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

 

Nyanatiloka: Buddhist Dictionary. Manual of Buddhist Terms and Doctrines. 4th ed/ Kandy 1980.

 

Walshe, Maurice (Transl): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Digha Nikaya. Kandy 1996.

 

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

 

www.palikanon.com/digha/d.htm; übers. von Karl Eugen Neumann.

 

www.palikanon.com/majjhima/m_index_new.html; übers. von Kay Zumwinkel.

 

www.palikanon.com/samyutta/samyutta.html; übers. von Wilhelm Geiger; fortgeführt von Nyanaponika.

 

 

 

 

Verantwoording

  Verantwoording

 

 

De opmerkingen in de voetnoten zijn voor het merendeel ontleend aan de vertalingen van de genoemde Pali teksten.

 

De foto op de omslag is het ochtendgloren aan de oever van de Ganges te Varanasi, India (2004)

 

 

Alles uit dit e-boek mag worden overgenomen.

 

Deze gegevens kunnen ook geraadpleegd worden op website

 

http://www.facettenvanhetboeddhisme.nl/10.11. oorzakelijk ontstaan en 0oorzakelijke opheffing van het lijden.html

 

Impressum

Texte: alles uit dit e-boek mag worden overgenomen
Tag der Veröffentlichung: 04.04.2015

Alle Rechte vorbehalten

Nächste Seite
Seite 1 /